Onze huisfilosoof Perissologos geeft simpele antwoorden op lastige vragen.

Is er buitenaards leven?

· 7 min leestijd

Deze aflevering is geschreven door AI.

Het korte antwoord
  • Er is tot nu toe geen enkel definitief bewijs voor buitenaards leven gevonden, maar de meeste astrobiologen en astronomen achten de kans aanzienlijk dat het ergens bestaat.
  • De schaal is onvoorstelbaar: onze Melkweg telt naar schatting 100 tot 400 miljard sterren en het waarneembare universum zo'n 2 biljoen sterrenstelsels, dus zelfs een microscopisch kleine kans per ster levert alsnog miljarden potentiële plekken op.
  • Sinds de jaren negentig hebben ruimtetelescopen zoals Kepler, TESS en James Webb duizenden planeten buiten ons zonnestelsel ontdekt, en rotsachtige planeten in de leefbare zone, de afstand tot hun ster waar vloeibaar water kan bestaan, blijken eerder de regel dan de uitzondering.
  • De bouwstenen zijn universeel: koolstof, waterstof, zuurstof, stikstof en complexe organische moleculen zoals aminozuren worden overal in de ruimte aangetroffen, op kometen, op asteroïden en in interstellaire gaswolken.
  • Op aarde blijkt leven te bestaan op plekken die vroeger als volstrekt dodelijk werden beschouwd: bij kokende hydrothermale bronnen op de oceaanbodem, diep onder het ijs van Antarctica en in zwaar radioactieve omgevingen. Dat verbreedt de definitie van leefbaar aanzienlijk.
  • Het eerste spoor van de zoektocht is microbieel leven in ons eigen zonnestelsel, fossiele sporen of levende eencelligen: op Mars in oude rivierbeddingen, en op de oceaanmanen Europa (Jupiter) en Enceladus (Saturnus), waar onder een dikke ijslaag vloeibaar water zit met mogelijke hydrothermale activiteit.
  • Het tweede spoor zijn biosignaturen en technosignaturen: chemische onevenwichtigheden in de atmosfeer van exoplaneten, bijvoorbeeld combinaties van methaan, ozon en waterdamp gemeten met de James Webb-telescoop, en kunstmatige radiosignalen, waar projecten zoals SETI naar zoeken.
  • Daartegenover staat de Fermi-paradox, de vraag van natuurkundige Enrico Fermi: als het universum zo oud en groot is, waarom zien we dan nog geen enkel overtuigend spoor van intelligente beschavingen?
  • Een gangbare verklaring is de Grote Filter: het ontstaan van simpele bacteriën is wellicht relatief gewoon, maar de evolutionaire stap naar meercellig leven, intelligentie en technologie kan een extreem zeldzame toevalstreffer zijn.
  • Een tweede verklaring is tijd en afstand: het universum is 13,8 miljard jaar oud, en beschavingen kunnen tienduizenden jaren hebben gebloeid en zijn uitgestorven lang voordat de mens bestond, of ontstaan pas over miljarden jaren. We moeten elkaar niet alleen in de ruimte tegenkomen, maar ook in exact hetzelfde tijdsvenster.
  • Een derde verklaring is onze eigen technologische grens: we scannen het universum pas enkele decennia gericht af, wat vergeleken met de omvang van de Melkweg neerkomt op een spreekwoordelijk theekopje water uit de oceaan.
  • Het ontbreken van bewijs is geen bewijs van afwezigheid, maar voorlopig blijft de aarde de enige bekende plek met leven.

Van alle vragen die de mens zich stelt is dit vermoedelijk de enige die hij stelt met het hoofd in de nek. De overige richt hij tot de grond, tot de boeken, tot elkaar; deze richt hij tot het donker boven hem, en het donker heeft de gewoonte te zwijgen zoals alleen het donker dat vermag. Zij is de vraag van de herder geweest, en van de zeevaarder, en van het kind dat te laat naar bed gaat, en zij is in onze eeuw iets geworden wat zulke oude vragen zelden overkomt: een werkvraag, gesteld door mensen met instrumenten en met een salaris. Laat ons hun stand van zaken opnemen, en laat ons dat, zoals het een zaak van deze omvang betaamt, met de nodige traagheid doen.

Over de stand van zaken, die uit een ontkenning en een vermoeden bestaat

Het antwoord valt uiteen in twee helften, die elkaar niet tegenspreken maar elkaar evenmin omhelzen. De eerste helft is een ontkenning, en zij is onverbiddelijk: er is tot nu toe geen enkel definitief bewijs gevonden. Geen enkel. Niet één. De tweede helft is een vermoeden, en het is een vermoeden van gewicht, want het wordt gedragen door hen die er hun dagen aan wijden: de meeste astrobiologen en astronomen achten de kans aanzienlijk dat het ergens bestaat.

Men lette op dat woordje “ergens”, want het verricht hier alle arbeid. Het wijst niet, het belooft niet, het noemt geen plaats. Het zegt slechts dat de wereld groot genoeg is om iets te herbergen wat wij nog niet gezien hebben, en dat is, bij nader inzien, een aanzienlijke uitspraak over de wereld en een uiterst bescheiden uitspraak over ons.

Over de schaal, waarin het getal zijn greep op de verbeelding verliest

Waarop rust dat vermoeden? Allereerst op de omvang, en die omvang is van een soort waarvoor het menselijk voorstellingsvermogen eenvoudigweg niet vervaardigd werd.

Onze Melkweg telt naar schatting honderd tot vierhonderd miljard sterren. Reeds die marge is leerzaam: wij weten het zelf niet nauwkeuriger dan tussen honderd en vierhonderd, en de speling waarmee wij ons behelpen overtreft alles wat een mens ooit geteld heeft. En het waarneembare universum bevat naar schatting zo’n twee biljoen sterrenstelsels, waarvan het onze er één is, één enkel, ergens in dat gedrang.

Hier nu voltrekt zich de redenering die aan het gehele vermoeden ten grondslag ligt, en zij is van een ontnuchterende eenvoud. Zelfs indien de kans op leven rondom een willekeurige ster microscopisch klein is, levert die enorme vermenigvuldigingsfactor alsnog miljarden potentiële plekken op. Zo is het met het zeer kleine gesteld wanneer het zeer vaak wordt aangeboden: het onwaarschijnlijke houdt op onwaarschijnlijk te zijn zodra men het maar vaak genoeg herhaalt, zoals de dobbelaar die lang genoeg werpt onvermijdelijk krijgt wat hij bij de eerste worp voor onmogelijk hield.

Over de planeten, en over de bouwstenen die er reeds klaarliggen

De omvang alleen zou een leeg argument zijn, een kast zonder inhoud, ware het niet dat wij inmiddels weten wat er in die kast staat.

Sinds de jaren negentig hebben ruimtetelescopen, waaronder Kepler, TESS en James Webb, duizenden planeten buiten ons zonnestelsel ontdekt. Duizenden, en men bedenke dat dit het aantal is dat wij gevonden hebben. En zie: rotsachtige planeten in de leefbare zone, waarmee bedoeld wordt die afstand tot hun ster waarop vloeibaar water bestaan kan, blijken eerder de regel dan de uitzondering. Men had een zeldzaamheid verwacht en men trof een gewoonte aan.

Daarbij komt dat het bouwmateriaal niet aan deze planeet toebehoort. Koolstof, waterstof, zuurstof, stikstof, en ook de complexe organische moleculen, de aminozuren, worden overal in de ruimte aangetroffen: op kometen, op asteroïden, in interstellaire gaswolken. Het zijn geen aardse ingrediënten die zich toevallig ook elders bevinden, het zijn kosmische ingrediënten die zich toevallig ook hier bevinden. Wie het universum afzoekt naar de onderdelen, vindt de onderdelen. Wat hij nog niet gevonden heeft, is het samengestelde.

Over het leven dat onze definities niet gelezen heeft

En dan is er nog een omstandigheid, die niet in de hemel te vinden is maar hier beneden, en die de vraag stiller en grondiger heeft verruimd dan enige telescoop vermocht.

Op onze eigen planeet treffen wij leven aan op plekken die vroeger als volstrekt dodelijk werden beschouwd. Bij kokende hydrothermale bronnen op de oceaanbodem. Diep onder het ijs van Antarctica. In zwaar radioactieve omgevingen. Telkens wanneer de mens ergens heen ging in de overtuiging dat daar niets kon zijn, zat daar iets, en het zat daar al geruime tijd. Dit verbreedt de definitie van wat leefbaar heet aanzienlijk, en dat is een beleefde formulering voor iets minder beleefds: de grens die wij trokken was niet de grens van het leven, maar de grens van onze verwachting.

Over het eerste spoor, dat dichtbij ligt en klein is

De zoektocht richt zich thans vooral op twee sporen, en het eerste ervan is bescheiden van opzet en verrassend nabij van bestemming. Het gaat om microbieel leven in ons eigen zonnestelsel: om fossiele sporen, of om levende eencelligen.

Men zoekt op Mars, in oude rivierbeddingen, dat wil zeggen op de plaatsen waar water geweest is en niet meer is, want ook een leegte kan een adres zijn. En men zoekt op de oceaanmanen: op Europa, die om Jupiter draait, en op Enceladus, die om Saturnus draait. Daar bevindt zich onder een dikke ijslaag vloeibaar water, met mogelijke hydrothermale activiteit. Men lette op dat woord “mogelijke”, waarmee de wetenschap haar hoop pleegt te verpakken zoals men breekbaar goed in stro verpakt.

Het is bovendien een merkwaardig bescheiden verlangen. Men hoopt hier niet op een gesprekspartner, men hoopt op een cel. Op iets wat zich niet kan voorstellen dat het gevonden wordt.

Over het tweede spoor, dat verder reikt en luistert

Het tweede spoor kijkt niet naar binnen maar naar buiten, en het zoekt geen wezens maar tekenen: biosignaturen en technosignaturen.

Het eerste soort teken is chemisch. Men speurt naar onevenwichtigheden in de atmosfeer van exoplaneten, bijvoorbeeld naar combinaties van methaan, ozon en waterdamp, gemeten met de James Webb-telescoop. Het leven verraadt zich hier niet door zich te vertonen, maar door de lucht te verstoren: een aanwezigheid die uitsluitend kenbaar is in de wanorde die zij achterlaat.

Het tweede soort teken is kunstmatig. Men luistert naar radiosignalen die niet vanzelf ontstaan, en projecten zoals SETI doen niets anders. Dat is het luisteren in zijn zuiverste vorm: luisteren zonder te weten of er iemand is, en zonder te weten hoe die iemand klinken zou.

Over de vraag van Fermi, en over de stilte die haar heeft voortgebracht

Hier nu keert de zaak zich om, en zij keert zich om met één enkele zin. Want indien de omstandigheden voor leven zo wijdverbreid zijn, stuit men onvermijdelijk op de beroemde vraag van de natuurkundige Enrico Fermi: als het universum zo oud en groot is, waarom zien wij dan nog geen enkel overtuigend spoor van intelligente beschavingen?

Waar is iedereen. Het is de kortste vraag van dit gehele stuk en zij weegt het zwaarst, zoals de kleinste steen in de schoen de gehele wandeling bepaalt.

Er zijn hierop gangbare hypothesen, en het zijn er drie. De eerste heet de Grote Filter, en zij verlegt de zeldzaamheid van het begin naar het vervolg: het ontstaan van simpele bacteriën is wellicht relatief gewoon, maar de evolutionaire stap naar meercellig leven, naar intelligentie, naar technologie, kan een extreem zeldzame toevalstreffer zijn. Niet het leven zou dan het wonder wezen, maar wat het leven daarna nog uithaalt.

De tweede hypothese gaat over tijd en afstand, en zij is de treurigste van de drie. Het universum is 13,8 miljard jaar oud. Beschavingen kunnen tienduizenden jaren hebben gebloeid en zijn uitgestorven lang voordat de mens bestond, of zij ontstaan pas over miljarden jaren. Wij moeten elkaar dus niet alleen in de ruimte tegenkomen, maar ook in exact hetzelfde tijdsvenster: twee wandelaars die dezelfde brug moeten betreden, niet slechts op dezelfde plek maar op dezelfde middag, terwijl die brug miljarden jaren lang openligt.

De derde hypothese is de meest ontluisterende, want zij gaat over ons. Wij scannen het universum pas enkele decennia gericht af. Vergeleken met de omvang van de Melkweg hebben wij daarmee nog maar een spreekwoordelijk theekopje water uit de oceaan onderzocht, en het is een merkwaardige eigenschap van de mens dat hij zulk een theekopje leegdrinkt, er geen vis in aantreft, en vervolgens iets over de oceaan meent te weten.

Slotsom

Ziedaar de stand van zaken, aan beide zijden opgemaakt. Er is tot nu toe geen enkel definitief bewijs, en tegelijk achten de meeste astrobiologen en astronomen de kans aanzienlijk dat het ergens bestaat: gelet op de honderd tot vierhonderd miljard sterren van onze Melkweg en de twee biljoen sterrenstelsels van het waarneembare universum, waar zelfs een microscopisch kleine kans per ster nog miljarden plekken oplevert; gelet op de duizenden exoplaneten waarvan de rotsachtige in de leefbare zone eerder regel dan uitzondering blijken; gelet op de bouwstenen die overal liggen; en gelet op het aardse leven dat zich in kokend water, onder ijs en in straling volstrekt niets van onze definities aantrekt. Er wordt gezocht naar eencelligen op Mars, Europa en Enceladus, en naar tekenen in de atmosferen van verre planeten en in de radiogolven waarnaar SETI luistert. En daar staat de vraag van Fermi tegenover, met haar drie verklaringen: de Grote Filter, het tijdsvenster dat wij mislopen, en het theekopje dat wij voor de oceaan aanzien.

Het ontbreken van bewijs is dus geen bewijs van afwezigheid. Maar voorlopig blijft de aarde de enige bekende plek met leven, en wie na al deze woorden vaststelt dat hij dat aan het begin ook al wist, heeft in het klein ondervonden wat de astronomen in het groot ondervinden: dat er tussen de vraag en het antwoord een hoeveelheid ruimte ligt die niemand besteld heeft.

Eerder gevraagd

Alle afleveringen